ALGEMEEN REGLEMENT VOOR SPECIAL KLASSE

Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 1
ALGEMEEN REGLEMENT VOOR SPECIAL KLASSE
Inhoudsopgave
Art. 1 DEFINITIE………………………………………………………………………………………………………………………………… 2
Art. 2 TOEGESTANE MODIFICATIES EN VERANDERINGEN SPECIAL KLASSE AUTO’S…………………. 2
Art. 3 CARROSSERIE …………………………………………………………………………………………………………………………. 2
Art. 4 CHASSIS…………………………………………………………………………………………………………………………………… 2
Art. 5 MOTOREN………………………………………………………………………………………………………………………………… 3
Art. 6 AANDRIJVING …………………………………………………………………………………………………………………………. 4
Art. 7 ONDERSTEL…………………………………………………………………………………………………………………………….. 4
Art. 8 CARROSSERIE / CHASSIS………………………………………………………………………………………………………… 4
Art. 9 ELEKTRISCH SYSTEEM…………………………………………………………………………………………………………… 4
Art. 10 VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN…………………………………………………………………………………………….. 5
Art. 11 LPG INSTALLATIE …………………………………………………………………………………………………………………. 6
Art. 12 LEIDINGEN, BRANDSTOF POMPEN EN ELEKTRISCHE KABELS………………………………………….. 7
Art. 13 REMBEVEILIGINGSSYSTEEM……………………………………………………………………………………………….. 8
Art. 14 EXTRA VERGRENDELINGEN ………………………………………………………………………………………………… 8
Art. 15 VEILIGHEIDSGORDELS …………………………………………………………………………………………………………. 8
Art. 16 ROLBEUGEL…………………………………………………………………………………………………………………………. 11
Art. 17 ACHTERUITZICHT……………………………………………………………………………………………………………….. 23
Art. 18 SLEEPOOG……………………………………………………………………………………………………………………………. 23
Art. 19 VOORRUIT, RUITEN …………………………………………………………………………………………………………….. 23
Art. 20 HOOFDSTROOMSCHAKELAAR (Algemene stroomonderbreker) ……………………………………………… 24
Art. 21 FIA GOEDGEKEURDE VEILIGHEIDSBRANDSTOF-TANK……………………………………………………. 24
Art. 22 BESCHERMING TEGEN BRAND…………………………………………………………………………………………… 25
Art. 23 VERLICHTING………………………………………………………………………………………………………………………. 25
Art. 24 CLAXON……………………………………………………………………………………………………………………………….. 25
Art. 25 RESERVEWIELEN ………………………………………………………………………………………………………………… 26
Art. 26 SPATLAPPEN ……………………………………………………………………………………………………………………….. 26
Art. 27 STOELEN………………………………………………………………………………………………………………………………. 26
Art. 28 SAFETYAIRBAGS…………………………………………………………………………………………………………………. 26
Art. 29 SPECIFIEKE REGELGEVING VOOR ELEKTRISCH AANGEDREVEN VOERTUIGEN ……………. 26Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 2
ALGEMEEN REGLEMENT VOOR SPECIAL KLASSE
Art. 1 DEFINITIE
De Special klasse, zijn voertuigen met vier wielen en ontworpen of gemodificeerd zijn voor het rijden in het
terrein en/of onverharde wegen op snelheid en voorzien zijn van minimaal twee zitplaatsen.
Met de in dit reglement omschreven beperkingen en toevoegingen en/of modificaties volgens de Special klasse.
Deze klasse telt niet mee voor het NK.
Een voertuig waarvan de constructie gevaarlijk geacht wordt, kan door de Wedstrijdleider en of
Sportcommissarissen worden uitgesloten.
Art. 2 TOEGESTANE MODIFICATIES EN VERANDERINGEN SPECIAL KLASSE AUTO’S
2.1 Wijzigingen
Alle wijzigingen en/of modificaties zijn verboden tenzij uitdrukkelijk toegestaan of voorgeschreven in het
hoofdstuk ‘Veiligheidsuitrusting’. De componenten van de auto moeten hun originele functie behouden.
Het is de verplichting van de deelnemer om de technische keurmeesters tevreden te stellen ten einde aan
te tonen dat zijn/haar voertuig volledig te allen tijde gedurende het evenement voldoet aan de
reglementen. De voertuigen moeten voldoen aan de nationale wegenverkeerswet van het land waar de
wedstrijd verreden wordt.
2.2 Diverse wijzigingen
Het gebruik van magnesium en titanium legeringen is verboden, buiten voor de velgen of als een
component effectief op het gehomologeerde voertuig bestaat. Titanium wordt slechts toegelaten voor
zg. “quick release connectors” (behalve bij het rem systeem).
2.3 Beschadigde schroefdraad mag worden gerepareerd door een nieuwe schroefdraad van dezelfde
binnendiameter in te schroeven (”helicoil” type).
2.4 Vrij onderdeel
De term ”vrij” betekent dat het originele onderdeel als ook zijn functies mogen worden verwijderd of
worden vervangen door een nieuw onderdeel, op voorwaarde dat het nieuwe onderdeel geen extra functie
heeft ten opzichte van het originele onderdeel.
Art. 3 CARROSSERIE
3.1 De carrosserie van de Special klasse mag van een andere oorsprong of merk zijn en behoeft niet tot het
originele chassis te behoren, zolang de rijder en de bijrijder er veilig en comfortabel in kunnen
plaatsnemen.
3.2 De gebruikte materialen zijn vrij. Alle delen van de carrosserie moeten van binnen en van buiten glad
afgewerkt zijn en mogen geen scherpe hoeken of uitsteeksels bevatten.
3.3 De breedte van de carrosserie mag niet meer zijn dan 200 cm., waarbij de wielen binnen de carrosserie
moeten blijven.
3.4 De cockpit moet via afsluitbare portieren bereikbaar zijn, die minimaal 60 cm breed en 80 cm hoog zijn.
Art. 4 CHASSIS
4.1 Het chassis, dat los van de carrosserie gebruikt wordt, of een zelfdragende carrosserie, moet van een
bestaand type terreinauto zijn en normaal in de handel verkrijgbaar. Doorlassen en/of verstevigingen
aanbrengen is toegestaan. Lichter maken door gaten te boren of delen weg te halen die tot het dragende
deel behoort, is niet toegestaan.
Bij een buizenframe chassis zijn alleen ijzerhoudende materialen toegestaan. De dikte van de buizen die
de structurele deel uitmaken van het chassis mag niet minder zijn dan 1,5 mm. Alle buizen van de kooi
gedefinieerd in artikel 283-8.3.1 (tekeningen 253-1, 253-2, 253 – 3) moeten een minimale dikte zijn van
50 x 2 mm of 45×2.5 mm. De auto moet een structuur hebben die onmiddellijk achter de bestuurder
breder is dan zijn schouders en strekt zich uit boven hen wanneer hij normaliter in de auto met zijn gordel
vastgemaakt zit.
4.2 Het wijzigen van het veringssysteem en/of de vering is toegestaan. Het aantal en type schokbreker per
wiel is vrij op voorwaarde van minimaal 1 per wiel welke ook daadwerkelijk dienst doet als schokbreker.
4.3 Het minimum gewicht voor de Special klasse. De auto’s dienen te voldoen aan de onderstaande tabel van
minimum gewichten in relatie tot de cilinder inhoud, Voor dieselmotoren met drukvulling moet de
nominale cilinderinhoud worden vermenigvuldigd met een coëfficiënt 1,5 waarbij de auto ingedeeld wordt
volgens de aldus berekende fictieve cilinderinhoud.Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 3
Cilinder inhoud (cm3
) Gewicht (kg)
tot 1600 1012
boven 1600 en tot en met 2000 1188
boven 2000 en tot en met 2250 1320
boven 2250 en tot en met 2500 1408
boven 2500 en tot en met 2750 1441
boven 2750 en tot en met 3000 1474
boven 3000 en tot en met 3250 1507
boven 3250 en tot en met 3500 1540
boven 3500 en tot en met 3750 1573
boven 3750 en tot en met 4000 1606
boven 4000 en tot en met 4250 1639
boven 4250 en tot en met 4500 1672
boven 4500 en tot en met 4750 1705
boven 4750 en tot en met 5000 1738
boven 5000 en tot en met 5250 1771
boven 5250 en tot en met 5500 1804
boven 5500 en tot en met 5750 1837
boven 5750 en tot en met 6000 1870
boven 6000 en tot en met 6250 1903
boven 6250 en tot en met 6500 1936
boven 6500 en tot en met 6750 1969
boven 6750 en tot en met 7000 2002
boven 7000 en tot en met 7250 2035
boven 7250 en tot en met 7500 2068
Dit is het minimumgewicht van het voertuig inclusief de veiligheidsvoorzieningen en reserve wiel(en),
maar zonder de bemanning, brandstof, bagage, gereedschappen, krik, reserve-onderdelen, navigatie- en
communicatie-uitrustingen en etenswaren. Ingeval van twijfel zullen de technische commissarissen de
brandstoftank legen teneinde het gewicht te kunnen controleren.
Art. 5 MOTOREN
5.1 De motor is vrij, maar moet van een bestaand voertuig (personen / terreinauto) zijn afgeleid die
normaal in de handel te verkrijgen is.
5.2 Voor benzinemotoren is de cilinderinhoud bepaald op maximaal 5000 cm3.
Benzinemotoren met drukvulling zijn verboden.
5.3 Voor dieselmotoren is de cilinderinhoud bepaald op maximaal 5000 cm3 (nominale cilinderinhoud),
drukvulling is toegestaan.
5.4 Er is geen beperking gesteld aan de diameter van de luchtinlaat van de compressor. Het koelen van de
inlaatlucht door een aparte radiator is toegestaan.
5.5 Uitlaatsysteem en demper
Auto’s die aan een evenement op de openbare weg meedoen moeten altijd zijn uitgerust met een
geluiddemper welke voldoet aan de wettelijke voorschriften van het land of de landen, waarin het
evenement wordt gehouden. Het uitlaatsysteem mag niet door de auto heen gaan.
De uitlaatmond moet horizontaal of omhoog geleid zijn.
De openingen van de uitlaatpijpen moeten geplaatst zijn op een hoogte van:
– maximaal 80 cm
– minimaal 10 cm van de grond in het geval van zijuitgang.
De uitgang van de uitlaatpijp moet zich binnen de omtrek van de auto bevinden, op een afstand kleiner
dan 10 cm vanaf deze omtrek en achter het verticale vlak gevormd door het midden van de wielbasis.
Bovendien moet deugdelijke bescherming zijn aangebracht om te voorkomen dat de hete pijpen
brandwonden kunnen veroorzaken.
Het uitlaatsysteem moet niet van voorlopige aard zijn. Uitlaatgassen mogen het uitlaatsysteem alleen aan
het uiteinde verlaten. Delen van het chassis mogen niet worden gebruikt voor het doen afvoeren van
gassen.
5.6 Rook Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 4
Het is verboden om bovenmatige rook van de motor te produceren.
5.7 Alleen aan de pomp verkrijgbare brandstoffen zoals benzine tot max. 99 RON, diesel en LPG mogen
gebruikt worden.
5.8 Restrictor is niet van toepassing
Art. 6 AANDRIJVING
6.1 Alle auto’s moeten zijn uitgerust met een versnellingsbak met een achteruitversnelling, welke moet
werken aan de start van het evenement en moet kunnen worden bediend door de rijder normaal zittend
in zijn stoel.
Het aantal versnellingen is vrij.
6.2 Permanente of inschakelbare vierwielaandrijving is vrij te gebruiken en behoeft niet tot het standaard
voertuig te behoren.
6.3 Differentiëlen zijn vrij. Een extra smeer en koelsysteem is toegestaan.
Meesturende achteras is niet toegestaan.
6.4 De maximum hoogte van de band is 890 mm, De velg mag maximaal 10 inch breed zijn. De velgen moeten
in de handel verkrijgbaar zijn.
6.5 Banden die speciaal gemaakt zijn voor agrarische doeleinden zijn niet toegestaan. Het gebruik van
sneeuwkettingen en spikes is verboden, tenzij dit voor een speciaal evenement door de organisatie is
toegestaan.
6.6 Wielen, geheel of gedeeltelijk gemaakt van composietmaterialen, zijn verboden.
Art. 7 ONDERSTEL
7.1 Onderdelen van het onderstel, geheel of gedeeltelijk gemaakt van composietmaterialen, zijn verboden.
7.2 Merk en type schokbrekers zijn vrij. Minimaal 1 per wiel
7.3 De veerweg is vrij.
Art. 8 CARROSSERIE / CHASSIS
8.1 Bestuurdersruimte
Slechts de volgende toebehoren mogen worden geïnstalleerd in het inzittendencompartiment:
gereedschap, veiligheidsmateriaal, elektronische uitrusting, materiaal en bestuurorganen nodig om te
rijden en een ruitensproeier installatie.
Het wordt toegelaten om extra reservewiel(en) te installeren, reserve onderdelen en ballast (indien
toegelaten) in de bestuurdersruimte.
De containers voor helmen en de hulpmiddelen die in het inzittendencompartiment worden gesitueerd
moeten van onontvlambaar materiaal worden gemaakt en zij mogen geen, in het geval van brand, giftige
dampen verspreiden.
8.2 Koplampbevestiging en bescherming
Het boren van gaten in het plaatwerk aan de voorzijde voor het bevestigen van lampsteunen is
toegestaan, mits uitsluitend voor deze bevestigingen.
Niet-reflecterende beschermkappen, gemaakt van flexibel materiaal die op de koplampen worden
bevestigd en in contact staan met het glas zijn toegestaan.
8.3 Elk voorwerp dat gevaar kan opleveren (brandbare materialen enz.) moet buiten het
inzittendencompartiment worden vervoerd.
8.4 Schakelaars van het veiligheidssysteem buiten het voertuig mogen beschermd worden door flexibel
materiaal.
Art. 9 ELEKTRISCH SYSTEEM
10.1 Accu
Het merk en de capaciteit van de accu zijn vrij. Elke accu moet degelijk zijn bevestigd en afgedekt worden
om kortsluiting en lekkage te vermijden. Het aantal accu’s is vrij.
Indien de accu van zijn originele positie wordt verplaatst, moet voor de bevestiging aan de carrosserie een
metalen zitting en twee stalen, van isolatiemateriaal voorziene klampen worden gebruikt, die aan de vloer
worden bevestigd met bouten en moeren.
Voor de bevestiging van deze klampen moeten bouten met een diameter van min. 8 mm worden gebruikt,
en moet onder elke bout of moer onder het metaal van de carrosserie van een verstevigingplaat worden
geplaatst die een dikte van tenminste 3 mm heeft en een oppervlakte van tenminste 20 cm2.Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 5
Een natte accu moet lekvrij worden afgedekt door een plastic doos, die onafhankelijk van de accu moet
worden bevestigd.
De plaats van de accu is vrij, echter indien de accu in het inzittendencompartiment wordt geplaatst is en
wanneer het een natte accu betreft, moet de beschermende doos een luchtinlaat hebben die buiten het
inzittendencompartiment uitmondt.
Bij een droge batterij moeten de accu polen zijn afgedekt.
10.2 Een closed loop systeem is alleen toegestaan voor het motor management.
Tevens is het toegestaan voor locking/unlocking van automatische differentieel systemen.
“Closed loop systeem” Zelflerend motormanagementsysteem op basis van lambda regeling.
Hiermee kunnen toleranties en veranderingen in de motor of de brandstof inspuiting worden gecorrigeerd,
zodat de motor onder normale omstandigheden altijd het meest optimale brandstofmengsel van 14,7
luchtdelen op 1 deel brandstof toegediend krijgt (Lambda 1).
10.3 Verlichting
Een mistlamp mag worden vervangen door een andere lamp op voorwaarde dat de originele bevestiging
gelijk blijft. Het bevestigen van een achteruitrijlamp is toegestaan op voorwaarde dat deze alleen werkt
indien de versnellingspook in de “reverse”-positie staat.
Flits/zwaai/stroboscoop lampen zijn verboden. T.b.v. zichtbaarheid bij verminderd zicht, anders dan
duisternis, (o.a. stof) is het gebruik van een stroboscooplamp of zg. werklamp toegestaan op voorwaarde
dat deze aan de achterzijde van het voertuig is gemonteerd, aan de buitenzijde van het voertuig op een
minimale hoogte van 1250 mm gemeten vanaf de grond. De werking moet inschakelbaar zijn vanuit het
inzittendencompartiment en mag in combinatie met andere verlichting geschakeld zijn. Deze verlichting
mag alleen gebruikt worden indien de omstandigheden dit vereisen en mededeelnemers niet hindert.
Art. 10 VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
10.1 Bodembeschermplaat is toegestaan.
10.2 Alle auto`s moeten voorzien zijn van één of twee handblusser(s), Blussysteem is aanbevolen.
10.3 Toegestane blusmiddelen: AFFF, FX G-TEC, Viro3, poeder, of elk ander door de FIA gehomologeerd
blusmiddel.
10.4 Minimum hoeveelheid blusmiddel:
AFFF : 2.4 liter
FX G-TEC : 2.0 kg
Viro3 : 2.0 kg
Zero 360 : 2.0 kg
Poeder : 2.0 kg
10.5 Alle blussers moeten onder druk zijn gebracht overeenkomstig de inhoud:
AFFF : overeenkomstig de fabrieksinstructies of 12 bar
FX G-TEC en Viro3 : overeenkomstig de fabrieksinstructies
Zero 360 : overeenkomstig de fabrieksinstructies
Poeder : 8 bar minimum, 13.5 bar maximum.
Daarnaast moet elke blusser welke gevuld is met AFFF uitgerust zijn met een systeem om de druk van de
inhoud te controleren.
10.6 De volgende informatie moet zichtbaar zijn op elke blusser:
– capaciteit
– type blusmiddel
– gewicht of volume van het blusmiddel
– datum waarop de blusser gekeurd is.
(Blussers moeten minimaal 1x zijn gekeurd in de 2 jaar voorafgaand aan de wedstrijd of het evenement.)
10.7 Alle blussers moeten goed worden beschermd. De bevestigingen dienen een vertraging te kunnen
weerstaan van 25 g. Tevens worden uitsluitend metalen snelsluitingen, met metalen strips, geaccepteerd.
10.8 Min. één van de blussers moeten gemakkelijk toegankelijk zijn voor de rijder en navigator.
10.9 De brandstoftank die onder de auto is geplaatst, moet voorzien worden van een deugdelijke bescherming.
Indien de oorspronkelijke brandstoftank niet gebruikt wordt, dan dient elke tank die olie of brandstof
bevat en in de constructie van de auto geplaatst is, voorzien te zijn van een vloeistofdichte omhulsel.Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 6
10.10 Indien de zijruiten en of het glazen zonnedak niet zijn gemaakt van gelaagd glas, is het gebruik van
transparante en kleurloze folie welke het uiteenspatten van ruiten tegengaat op zijruiten en het glazen
zonnedak verplicht. De dikte van deze folie mag niet groter zijn dan 100 micron.
Art. 11 LPG INSTALLATIE
11.1 Alleen aan de pomp verkrijgbare LPG mag worden gebruikt en de auto mag alleen op een regulier LPG
pompstation van gas worden voorzien.
11.2 L.P.G. installatie
11.2.1 Op het kentekenbewijs deel 1 moet bij brandstof G of G3 staan de installatie moet minimaal aan de eisen
van de R.D.W. voldoen, tenzij hier anders omschreven en er kan geen rechts aansprakelijkheid aan gesteld
worden.
11.2.2 Een L.P.G. installatie moet tenminste zijn voorzien van de volgende onderdelen met ECE 67-01 norm en
voorzien zijn van het goedkeuringsmerk (E-keur)
1. een LPG tank max. 100 Ltr.
2. een 80% vulklep voorzien van terugslagklep
3. een niveau-indicator op het dashboard
4. een veerveiligheid (overdruk ventiel op de tank) max. 27 Bar.
5. een automatische afnameklep voorzien van doorstoombegrenzer
6. een verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd
7. een automatische afsluitklep
8. een vulaansluiting buiten de auto
9. een overdrukvoorziening
11.2.3 Algemene Montage
1. alle onderdelen van de LPG installatie moeten deugdelijk zijn bevestigd
2. de LPG installatie mag geen lekkage vertonen en deugdelijk zijn bevestigd
3. de installatie moet zodanig zijn aangebracht dat deze zo goed mogelijk is beschermd tegen
beschadigen, zoals beschadigingen die kunnen worden veroorzaakt door aanrijdingen, bewegende
voertuigdelen, steenslag, boomtakken, of lading
4. geen enkel onderdeel van de LPG installatie inclusief eventueel beschermend materiaal dat deel
uitmaakt van het desbetreffende onderdeel mag buiten de contouren van het voertuig uitsteken, met
uitzondering van de vulaansluiting mits deze ten opzichte van de plaats van bevestiging niet meer dan 10
mm uitsteekt
5. geen deel van de LPG installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn
gelegen, tenzij het desbetreffende deel afdoende tegen hitte is beschermd
6. alle onderdelen van de LPG installatie in de personenruimte moeten zijn afgeschermd van de
personenruimte doormiddel van een lekdicht schot zie Veiligheids voorzieningen CCR auto’s annex J.
art. NL-283
7. er mogen geen onderdelen van de LPG installatie voor de vooras en achter de achteras zijn geplaatst 8.
de onderdelen van de LPG installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder wedstrijd
omstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de LPG installatie waar deze onderdelen zijn
aangebracht
11.2.4 LPG tank
1. de LPG tank moet permanent aan het voertuig zijn bevestigd
2. de plaats van de tank is achter de voorstoelen met een min. ruimte van 100 mm en voor de achteras
en dwars op de rijrichting en een cilindervorm hebben
3. Keuringsdatum van de LPG tank mag niet verder terug zijn dan 10 jaar op de dag van wedstrijd /
evenement
4. de LPG tank moet in de juiste stand zijn gemonteerd in overeenstemming met de aanwijzingen van de
fabrikant van de tank
5. in de LPG tank moet een overdrukvoorziening zijn gemonteerd op een zodanige positie dat deze kan
afblazen in de gasdichte kast. Indien de tank is gemonteerd in het inzittendencompartiment dient de
ontluchting van deze zich buiten het voertuig te bevinden.
6. de LPG tank moet zodanig zijn bevestigd dat er geen metallisch contact bestaat
7. de LPG tank moet voorzien zijn van een gasdichte kast die een overdruk kan hebben van 1000 mbar en
een afvoerslang naar buiten van een diameter van 25 mm en niet uitmonden op de uitlaat
8. er mag maar één LPG tank in de auto zijn gemonteerd van max 100 Ltr. Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 7
9. de bevestiging van de LPG tank moet zodanig zijn uitgevoerd dat de volgende acceleraties kunnen
worden opgenomen zonder beschadigingen te veroorzaken, wanneer de tank vol is 20 g in de rijrichting,
en 8 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting, en 6 g verticaal
10. het LPG tankframe moet vast met tenminste vier bouten van de klasse 8.8, het frame en de onderleg
platen zijn van het materiaalsoort St. 37 de afmeting van de onderleg platen zie tabel
11. de tankbanden zijn van materiaalsoort St. 37, en de bevestigingsbouten, van de klasse 8.8 de
tankbanden moeten voorkomen dat de LPG tank kan gaan schuiven, draaien of losraken
12. de tankbanden moeten de tankomtrek geheel of nagenoeg geheel omsluiten, waarbij het tankframe
een gedeelte van de omsluiting vormt
Tankinhoud Afmeting onderlegplaten Bout diameter Afmetingen Bout diameter van de Tankbanden
tot 85 Ltr. rond 25 x 3 mm 8 mm 30 x 3 mm of 20 x 3 mm* 10 mm of 8 mm*
86-100 Ltr. rond 30 x 3 mm 10 mm 50 x 6 mm of 50 x 3 mm** 12 mm of 10 mm**
* In dit geval moet de LPG tank met tenminste drie tankbanden zijn aangebracht
** In dit geval moet de LPG tank met tenminste vier tankbanden zijn aangebracht
11.2.5 LPG mengstuk
Een centraal mengstuk in niet toegestaan, wel een gasstuk/injector per cilinder zie voorbeeld
11.2.6 Elektrische voorzieningen
Een aparte gele schakelaar moet binnen het handbereik van de bestuurder en op tenminste 50 mm
afstand van de hoofdstroom schakelaar op het instrumenten panel worden aangebracht en deze
schakelaar dient om de gas afsluiters te kunnen uitschakelen. Deze dient elektrische tussen het gas relais
en de afsluiter te worden geschakeld en bij de gele schakelaar moet het woord GAS worden vermeld.
Tevens dient deze schakelaar te zijn voorzien van een (geel) klepje waardoor het ongewenst bedienen
wordt uitgesloten.
Art. 12 LEIDINGEN, BRANDSTOF POMPEN EN ELEKTRISCHE KABELS
12.1 Brandstof- en olieleidingen en remkabels moeten buiten de auto beschermd worden tegen elke mogelijkheid
van beschadiging (stenen, corrosie, mechanische breuken etc.)
12.2 Indien de uitrusting van de serieproductie wordt aangehouden is geen extra bescherming noodzakelijk.
De brandstofleidingen moeten van luchtvaarttype zijn als een FT3 1999, FT3.5 of FT5 tank wordt gebruikt,
de route van deze leidingen zijn vrij.
Als zij worden gewijzigd, moeten zij aan de hieronder vermelde paragrafen voldoen.
Een extra bescherming is toegestaan tegen risico’s van brand of van de lekkage.
De elektrische kabels die niet origineel zijn moeten worden beschermd tegen brand.
12.3 Leidingen die koelwater of smeerolie bevatten moeten zich buiten het inzittendencompartiment
bevinden.
Leidingen die brandstof of hydraulische vloeistof bevatten, mogen door het inzittenden compartiment
lopen, maar zonder enige koppeling hierbinnen, uitgezonderd bij het voor- en achterbrandschot in
overeenstemming met tekeningen no. 253-59 en no. 253-60.
Uitgezonderd van de hoofdremcilinder en reservoir, een tank voor hydraulische vloeistof is verboden in
het inzittendencompartiment. De remvloeistof tank, indien bevestigd in het inzittendencompartiment, Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 8
moet deugdelijk bevestigd zijn en beschermd zijn d.m.v. een afdekking die vloeistof- en
vlammenbestendig is.
12.4 Brandstofpompen en kranen moeten zich buiten het inzittendencompartiment bevinden.
12.5 Alleen lucht in/uitlaat openingen en leidingen voor lucht en ventilatie zijn toegestaan in het
inzittendencompartiment.
12.6 De elektrokabels dienen te worden afgeschermd met een niet brandbaar materiaal.
12.7 De zelfdichtende snelle koppelingen worden gezien als slang en mogen, daar waar toegestaan, op alle
leidingen gebruikt worde. Gebruik van deze koppelingen voor remleidingen is niet toegestaan.
Tekening 253-59 Tekening 253-60
Art. 13 REMBEVEILIGINGSSYSTEEM
Een dubbel werkend circuit bediend door één en dezelfde pedaal is verplicht. Het pedaal moet normaal alle
wielen bedienen. In geval van lekkage waar ook in het remleidingsysteem of van enig defect in het rem
overbrengingssysteem, moet dit pedaal nog altijd minstens twee wielen bedienen. Het voertuig mag worden
uitgerust met een handremsysteem op een as, dat geheel onafhankelijk werkt van het hoofdsysteem
(hydraulisch of mechanisch).
Art. 14 EXTRA VERGRENDELINGEN
Tenminste twee toegevoegde veiligheidsvergrendelingen moeten worden aangebracht bij zowel de motorkap
en kofferdeksel of achterklep/deuren, De originele sluitingen moeten buiten werking gesteld of verwijderd
worden. Dit moeten ‘Amerikaanse’ sluitingen zijn, met andere woorden een bajonet door de kap, die gesloten
moet worden met een pin, die ook aan de kap is bevestigd. Bij gebruik van kunststof onderdelen moeten metalen
verstevigingen worden aangebracht om loswrikken te voorkomen. Grote voorwerpen die aan boord van de auto
worden meegenomen (zoals reservewiel, gereedschapsset etc.) moeten stevig worden bevestigd. Het gebruik
van elastieken banden is verboden.
Art. 15 VEILIGHEIDSGORDELS
15.1 Gordels
Het gebruik van veiligheidsgordels die voldoen aan FIA standaard no. 8853/98 of 8854/98 is verplicht.
De gordels mogen gebruikt worden tot maximaal 5 jaar na het verlopen van de datum vermeld op het
label.
Standaard 8854/98 (vierpunts-gordels) is niet meer toegestaan na 1 januari 2015.
Twee riemsnijders (lifehammers met geïntegreerd mes) moeten te allen tijde in het voertuig aanwezig
zijn. Deze moeten eenvoudig te bereiken zijn voor de bestuurder en navigator gezeten in de stoel met
riemen bevestigd.
15.2 Bevestiging
Het is verboden veiligheidsgordels te verankeren aan de stoelen of de stoelbevestigingen.
De bevestigingspunten van een seriematige productie voertuig moeten gebruikt worden. Indien montage
aan deze bevestigingspunten niet mogelijk is, moeten er nieuwe bevestigingspunten geïnstalleerd worden
op het chassis, carrosserie of cabine. Een afzonderlijke bevestiging voor iedere riem en zo ver mogelijk
naar achteren voor de schouderbanden. Men moet rekening houden dat de gordels niet langs scherpe
delen (kunnen) schuren teneinde beschadiging te voorkomen.
De aanbevolen geometrische plaatsen voor de bevestigingspunten worden getoond in tekening no. 253-
61. Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 9
Tekening 253-61
De schouderbanden moeten in neerwaartse richting naar achter zijn gericht en moeten zodanig worden
gemonteerd dat de hoek t.o.v. de horizontale lijn vanaf de bovenzijde van de rugleuning niet groter is
dan 45°, echter aanbevolen wordt dat deze hoek niet groter is dan 10°. De maximum hoeken van de
bevestigingspunten van de schouderbanden met de hartlijn van de stoel zijn 20°divergent of convergent.
(gemeten in horizontale vlak)
De schouderbanden mogen ook bevestigd worden aan de rolkooi of aan een versterkingsstang door
middel van een lus, en mogen evenzo worden bevestigd aan de boven bevestigingspunten van de
achtergordels of bevestigd aan of geleid worden over een dwarsversteviging, die aan de
achterafsteuningen van de rolkooi gelast is. Zie tekening no. 253-66.
Tekening 253-66
In dit geval is het gebruik van een dwarsversteviging onderhevig aan de volgende voorwaarden:
De dwarsversteviging moet een buis zijn van minimaal 38 mm x 2,5 mm of 40 mm x 2 mm, gemaakt van
koudgetrokken naadloos koolstofstaal, met een minimum treksterkte van 350 N/mm2.
De hoogte van deze versterking moet zodanig zijn dat de schouderbanden naar achter en naar beneden
gericht zijn met hoek tussen de 10°en 45° t.o.v. de horizontale lijn vanaf de bovenzijde van de
rugleuning; een hoek van 10° wordt aanbevolen.
De onderlichaamband en kruis band mogen niet over de zijden van de stoel geleid worden maar moeten
door de door de stoel geleid worden, teneinde de bekken over een zo groot mogelijk oppervlak te
omvangen en te verzekeren. De onderlichaamband moet strak tussen de bekken en het bovenste deel
van de bovendij zitten. In geen geval mag de band in de buurt van de onderbuik zitten.
De banden mogen worden bevestigd d.m.v. lussen of bouten, echter in het laatste geval moet een bus
worden ingelast voor elk montage punt (zie tekening 253-67 voor de maten).
Tekening 253-67
Deze bussen dienen in de versterkingsstang te worden geplaatst en de banden dienen hieraan te
worden bevestigd met bevestigingsbouten van M12 klasse 8.8 of 7/16 UNF specificatie.
– Ieder bevestigingspunt moet in staat zijn een belasting van 1470 daN te weerstaan, of 720 daN voor
de kruisbanden. Als een bevestigingspunt voor de bevestiging van twee banden wordt gebruikt (niet Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 10
toegestaan voor schouderbanden), zal de toe te passen belasting gelijk zijn aan de som van de verlangde
lasten.
– Voor ieder nieuw te maken bevestigingspunt moet een stalen verstevigingplaat worden gebruikt met
een oppervlakte van tenminste 40 cm2 en een dikte van tenminste 3 mm.
– Principes voor de bevestiging aan de carrosserie/chassis:
1) Algemene bevestigingswijze (zie tekening no. 253-62).
2) Schouderband bevestiging (zie tekening no. 253-63).
3) Kruisband bevestiging (zie tekening no. 253-64).
Tekening 253-62
Tekening 253-63
Tekening 253-64 Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 11
15.3 Gebruik
Een veiligheidsgordel moet gebruikt worden in de uitvoering zoals deze is gehomologeerd, zonder enige
wijziging of verwijdering van onderdelen, en in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant.
De effectiviteit en duurzaamheid van veiligheidsgordels zijn direct gerelateerd aan de wijze waarop deze
wordt gemonteerd, gebruikt en onderhouden. De veiligheidsgordels moeten worden vervangen na iedere
aanrijding van betekenis, en zodra het weefsel is beschadigd, gerafeld of verzwakt als gevolg van
chemische inwerking ofwel inwerking van zonlicht. Tevens dienen ze te worden vervangen als enig
metalen onderdeel is verbogen, vervormd of geroest. Iedere veiligheidsgordel die niet perfect werkt,
dient te worden vervangen. Tevens dienen de gordels te worden vervangen na het verlopen van de
geldigheidsduur zoals door de fabrikant is aangegeven op het identificatielabel plus vijf jaar.
NOOT: Het is niet toegestaan om onderdelen van gordels onderling te verwisselen of samen te stellen.
Alleen complete sets van de fabrikant mag gebruikt worden.
Art. 16 ROLBEUGEL
16.1 Algemeen
De montage van een veiligheidskooi is verplicht.
Deze mag zijn:
a) Geconstrueerd overeenkomstig de vereisten van de volgende artikelen;
b) Gehomologeerd of gecertificeerd door een ASN volgens de homologatie reglementen voor
veiligheidskooien.
Een authentieke kopie van het homologatiedocument of certificaat, goedgekeurd door de ASN en
getekend door gekwalificeerde technici die de fabrikant vertegenwoordigen, moet worden aangeboden
aan de Technisch Commissarissen van het evenement.
Elke nieuwe kooi, die gehomologeerd is door een ASN, en verkocht vanaf 01-01-2003 moet worden
geïdentificeerd door middel van een identificatieplaat aangebracht door de fabrikant. Deze
identificatieplaat mag noch worden gekopieerd noch worden verplaatst (d.w.z. ingeslagen, gegraveerd of
een zelf vernietigende sticker).
De identificatieplaat moet de naam tonen van de fabrikant, het homologatie- of certificatienummer van
het ASN homologatieformulier of certificaat en een individueel serienummer van de fabrikant. Een
certificaat met hetzelfde nummer moet aan boord van de auto zijn en moet worden getoond aan de
Technisch Commissarissen van het evenement.
c) Gehomologeerd door de FIA volgens de homologatie reglementen voor veiligheidskooien.
Alle gehomologeerde kooien verkocht vanaf 01-01-1997 moeten duidelijk zichtbaar een identificatie van
de fabrikant en een serienummer dragen. Het homologatieblad van de kooi moet specificeren hoe en
waar deze informatie is aangegeven, en de kopers moeten een genummerd certificaat ontvangen dat
hiermee overeenkomt.
Elke modificatie aan een gehomologeerde of gecertificeerde veiligheidskooi is verboden.
Als modificatie wordt beschouwd enig proces uitgevoerd op de kooi door bewerken, lassen, dat een
permanente verandering van het materiaal van de veiligheidskooi met zich meebrengt.
Buizen mogen geen vloeistoffen of enige ander stof bevatten. De veiligheidskooi mag het in- of uitstappen
van bestuurder en bijrijder niet overmatig hinderen.
Verbindingsstangen mogen de voor de inzittenden gereserveerde ruimte aantasten als ze door het
dashboard en de bekleding heengaan evenals door de achterzittingen. De achterbank mag neergeklapt
worden.
16.2 Definities
16.2.1 Veiligheidskooi:
Een raamwerk bestaande uit meerdere buizen, geïnstalleerd in de bestuurdersruimte en geplaatst dicht
langs de carrosserie, ontworpen om vervorming van de carrosserie te verminderen bij een botsing.
16.2.2 Rolbeugel:
Buisvormig raamwerk welke een beugel vormt, met twee bevestigingspunten.
16.2.3 Hoofdrolbeugel (tekening 253-1):
Buisvormig raamwerk bestaande uit één stuk en vrijwel verticaal
(maximale hoek +/- 10o met de verticaal) aangebracht dwars door de auto direct achter de voorzittingen.
De as (doorsnede) van deze beugel moet zich in een enkel vlak bevinden.
16.2.4 Voorrolbeugel (tekening 253-1):
Gelijk aan de hoofdrolbeugel, maar de vorm en plaats volgt de voorruitstijlen en bovenrand van de
voorruit.Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 12
16.2.5 Zijrolbeugel (tekening 253-2):
Buisvormig raamwerk bestaande uit één stuk en vrijwel verticaal aangebracht langs de linker- of
rechterzijde van de auto waarvan de voorste stijl de voorruitstijl volgt en waarvan de achterste stijl vrijwel
verticaal is geplaatst direct achter de voorstoelen. De achterste steun moet gezien vanaf de zijkant recht
zijn.
16.2.6 Halve zijrolbeugel (tekening 253-3):
Gelijk aan zijrolbeugel maar zonder de achterste stijl.
16.2.7 Lengte verbindingsstang:
Buis uit een stuk in vrijwel de lengterichting welke de bovenzijden van de voorrolbeugel en de
hoofdrolbeugel verbindt.
16.2.8 Dwars verbindingsstang:
Buis uit een stuk in vrijwel de dwarsrichting welke de bovenzijden van de halve zijrolbeugels of de
zijrolbeugels verbindt.
16.2.9 Diagonale stang:
Buis tussen:
Een van de bovenste hoeken van de hoofdrolbeugel, of een van de einden van een dwars verbindingsstang
in het geval van een zijrolbeugel, en het onderste bevestigingspunt aan de tegenoverliggende zijde van
rolbeugel.
Of:
De bovenzijde van een achterafsteuning en het onderste bevestigingspunt van de andere
achterafsteuning.
16.2.10 Demontabele stang:
Stangen van een veiligheidskooi die moeten kunnen worden verwijderd.
16.2.11 Kooi versteviging:
Stang toegevoegd aan de veiligheidskooi om de sterkte te verbeteren.
16.2.12 Voetplaat:
Plaat gelast aan het einde van een rolbeugel buis waardoor deze middels bouten aan de
carrosserie/chassis bevestigd kan worden, gewoonlijk op een versterkingsplaat. De plaat mag, aanvullend
op de boutbevestiging, ook gelast worden.
16.2.13 Versterkingsplaat:
Metalen plaat, bevestigd aan de carrosserie/chassis onder de voetplaat van de rolbeugel om de belasting
beter te verdelen in de carrosserie/chassis.
16.2.14 Inzetstuk:
Versteviging voor een bocht of een verbinding gemaakt van gebogen metaalplaat met een U-vorm (tekening
253-34) waarvan de dikte niet minder dan 1.0 mm mag zijn. De einden van deze versteviging (punt E)
moeten liggen op een afstand vanaf de top van de hoek (punt S) tussen 2x en 4x van de buiten diameter
van de dikste van de te verbinden buizen.
Een uitsparing is toegestaan bovenaan in de hoek (S) maar de radius mag niet groter zijn dan 1,5 keer the
buitendiameter van de grootste te verbinden buis.
De platte zijden van de versteviging mogen voorzien zijn van een gat waarvan de diameter niet groter mag
zijn dan de buitendiameter van de grootste te verbinden buis.
Tekening 253-34Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 13
16.3 Specificaties
16.3.1 Basis rolkooi
16.3.2 De basis rolkooi moet worden samengesteld volgens een van de volgende methoden:
• 1 hoofdrolbeugel + 1 voorrolbeugel + 2 lengte verbindingsstangen + 2 achterafsteuningen + 6
voetplaten (tekening 253-1) of
• 2 zijrolbeugels + 2 dwars verbindingsstangen + 2 achterafsteuningen + 6 voetplaten (tekening 253-2)
of
• 1 hoofdrolbeugel + 2 halve zijrolbeugels + 1 dwars verbindingsstang + 2 achterafsteuningen + 6
voetplaten (tekening 253-3).
Tekening 253-1
Tekening 253-2 Tekening 253-3
Het verticale deel van de hoofdrolbeugel moet zich zo dicht mogelijk langs de binnencontour van de
carrosserie bevinden en niet meer dan een bocht hebben met het onderste verticale deel.
De voorste stijl van een voorrolbeugel of van een zijrolbeugel moet de voorruitstijlen volgen en mag
slechts één bocht hebben met het onderste verticale deel.
De verbindingen van de dwars verbindingsstangen aan de zijrolbeugels, de verbindingen van de lengte
verbindingsstangen aan de voor- en hoofdrolbeugels, alsook de verbindingen van de halve zijrolbeugels
aan de hoofdrolbeugel moeten zijn geplaatst ter hoogte van het dak.
In alle gevallen mogen er zich niet meer dan 4 demontabele verbindingen ter hoogte van het dak
bevinden. De achterafsteuningen moeten worden aangebracht ter hoogte van het dak en nabij de
bovenste bochten aan de buitenzijde van de hoofdrolbeugel, aan beide zijden van de auto, eventueel
door middel van demontabele verbindingen.
Deze moeten een hoek maken van minimaal 30º met de verticaal, moeten naar achteren lopen, recht
zijn en zo dicht mogelijk langs de binnenschermen van de carosserie.
16.3.2 Ontwerp:Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 14
Nadat de basis rolkooi is gedefinieerd, moet deze worden gecompleteerd met verplichte stangen en
verstevigingen (zie artikel 16.3.2.1), waaraan naar keuze stangen en verstevigingen mogen worden
toegevoegd (zie artikel 16.3.2.2). Tenzij uitdrukkelijk toegestaan en tenzij demontabele verbindingen
zijn gebruikt conform Artikel 16.3.2.4, moeten alle stangen en buisvormige verstevigingen uit een stuk
bestaan.
16.3.2.2 Verplichte stangen en verstevigingen:
16.3.2.1.1 Diagonale stang:
De kooi moet zijn uitgerust met een van de diagonale stangen zoals gedefinieerd door:
– Tekening 253-4 tot 253-7 voor auto’s gehomologeerd voor 01 JAN 2008.
– Tekening 253-6 en 253-7 voor auto’s gehomologeerd vanaf 01 JAN 2008.
Een diagonaal zoals weergegeven in tekening 253-4 is optioneel. De oriëntatie van de diagonaal van
tekening 253-4 mag worden omgekeerd. In het geval van tekening 253-6 mag de afstand tussen de twee
montagepunten op de carrosserie/chassis niet groter zijn dan 400 mm. Stangen moeten recht zijn en
mogen demontabel zijn.
De bovenzijde van de diagonaal moet niet verder dan 100 mm vanaf de verbinding met de
achterafsteuning samenkomen met de hoofdrolbeugel, of niet verder dan 100 mm van zijn verbinding
met de hoofdrolbeugel samenkomen met de achterafsteuning (zie tekening 253-52 voor de
meetmethode).
De onderzijde van de diagonaal moet niet verder dan 100 mm vanaf de voetplaat samenkomen met de
hoofdrolbeugel of de achterafsteuning (behalve in het geval van tekening 253-6).

Tekening 253-4 Tekening 253-6
Tekening 253-7
16.3.2.1.2 Deurverstevigingen:
Een of meer lengte stangen moet worden bevestigd aan beide zijden van de auto overeenkomstig
tekeningen 253-8. De buizen welke deel uitmaken van deze versteviging moeten in de rolkooi gebouwd
zijn en de hoek ten opzichte van de horizontale buis mag niet meer dan 15° zijn (hoek naar beneden
richting de voorzijde). Het ontwerp moet identiek zijn aan beide zijden.
De zijdelingse bescherming moet zich zo hoog mogelijk bevinden en, indien bestaande uit een enkele
buis, tenminste 10 cm vanaf de onderzijde van de stoel, maar in alle gevallen mag het bovenste Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 15
bevestigingspunt niet hoger worden geplaatst dan de halve hoogte van de deuropening, gemeten vanaf
de onderzijde.
Wanneer deze bovenste bevestigingspunten zich voor of achter de deuropening bevinden, geldt deze
hoogtebeperking ook voor de overeenkomstige kruising van de achterafsteuning en de deuropening.
In het geval van deurverstevigingen in de vorm van een “X” (tekening 253- 9) wordt aanbevolen dat de
onderste bevestigingspunten van de kruisstangen direct aan de lengte verbindingsstang worden
bevestigd en dat ten minste één deel van deze “X” een ononderbroken buis is.
Tekeningen mogen worden gecombineerd.
De bevestiging van de deurverstevigingen aan de raamstijlversteviging (tekening 253-15) is toegestaan.

` Tekening 253-15 Tekening 253-9
16.3.2.1.3 Dwarsversteviging (Tekening 253-29):
De dwarsverstevinging, bevestigd aan de voorste hoofdrolbeugel is verplicht maar mag niet de voor de
inzittende gereserveerde ruimte aantasten. De dwarsversteviging moet recht zijn.
Het mag zo hoog mogelijk geplaatst worden maar de onderste rand mag niet hoger zijn dan het hoogste
punt van het dashboard.
Voor voertuigen gehomologeerd vanaf 01 JAN 2007, mag de stang niet onder de stuurkolom geplaatst
zijn.
Tekening 253-29
16.3.2.1.4 Dak versteviging:
Alleen auto’s gehomologeerd vanaf 01 JAN 2005:
Het bovenste gedeelte van de veiligheidskooi moet overeenstemmen met een van de tekeningen 253-
12, 253-13 of 253-14.
De verstevigingen mogen de bolling van het dak volgen. Voor disciplines zonder tweede bestuurder,
uitsluitend in geval van tekening 253-12, is het toegestaan om slechts één diagonale verbindingsstang
aan te brengen, maar de voorste aansluiting moet zich aan de bestuurderszijde bevinden.Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 16
De uiteinden van de verstevigingen moeten zich minder dan 100 mm vanaf de verbinding tussen de
rolbeugels en de verbindingsstangen bevinden (geldt niet voor de top van de V gevormd door
verstevigingen in tekeningen 253-13 en 253-14). Kruising van buizen bij de punt van de V:
Als de buizen niet bij elkaar samenkomen mag de afstand tussen de buizen niet meer bedragen dan 100
mm op het punt waar ze bevestigd zijn aan het dwarsdeel.
Tekening 253-12 Tekening 253-13 Tekening 253-14
16.3.2.1.5 Raamstijl versteviging:
Deze moet worden aangebracht aan beide zijden van de voorrolbeugel wanneer maat “A” groter is dan
200 mm (tekening 253-15).
Deze versteviging mag worden gebogen op voorwaarde dat deze versteviging recht is in zijaanzicht en
dat de buighoek niet groter is dan 20°.
De bovenzijde moet zich niet verder dan 100 mm vanaf de verbinding tussen de voorrolbeugel
(zijrolbeugel) en de lengte (dwars) verbindingsstang bevinden (zie tekening 253-52 voor de
meetmethode).
De onderzijde moet zich niet verder dan 100 mm vanaf de (voorste) voetplaat van de voorrolbeugel
(zijrolbeugel) bevinden.
Tekening 253-15
16.3.2.1.6 Versteviging van bochten en verbindingen:
De verbindingen tussen:
• De diagonale verstevigingen van de hoofdrolbeugel,
• De dakverstevigingen (configuratie van tekening 253-12) en alleen voor auto’s gehomologeerd vanaf
01 JAN 2007)
• De deurverstevigingen (configuratie van tekening 253-9),
• De deurverstevigingen en de raamstijlversteviging (tekening 253-15), moeten worden verstevigd door
minimaal 2 inzetstukken. Wanneer de deurverstevigingen en de raamstijlverstevigingen zich niet in
hetzelfde vlak bevinden, mag de versteviging worden gemaakt van bewerkt metaalplaat.Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 17
16.3.2.1.7 Facultatieve stangen en verstevigingen:
Zijn de stangen en verstevigingen zoals getoond in tekeningen 253-12 tot 253-21 en 253-23 tot 253-33
facultatief en mogen aangebracht worden naar de wens van de fabrikant.
Deze moeten ofwel gelast worden ofwel met behulp van demontabele verbindingen worden
aangebracht.
Alle stangen en verstevigingen mogen afzonderlijk of in combinatie met elkaar worden gebruikt.
16.3.2.2.1 Dak verstevigingen (Tekening 253-12 tot 253-14 en 253-23 tot 253-24):
Alleen optioneel voor auto’s gehomologeerd voor 01 JAN 2005.
Voor disciplines zonder tweede bestuurder, uitsluitend in geval van tekening 253-12, is het toegestaan
om slechts één diagonale verbindingsstang aan te brengen, maar de voorste aansluiting moet zich aan
de bestuurderszijde bevinden.
Delen weergegeven in tekeningen 253-23 en 253-24 mogen vervaardigd zijn van twee buizen.
16.3.2.2.2 Diagonalen in de achterafsteuningen (tekeningen 253-20 en 253-21):
De configuratie van tekening 253-21 mag worden vervangen door die van tekening 253-22 wanneer een
dak versteviging conform tekening 253-14 wordt gebruikt. Voor auto’s gehomologeerd vanaf 01 JAN
2014:
De configuratie van tekening 253-22 is verplicht als een dakversteviging conform tekening 253-14 is
toegepast.
16.3.2.2.3 Voorwielophanging bevestigingspunten (tekening 253-25):
De uitbreidingen moeten verbonden worden met de bovenste bevestigingspunten van de
voorwielophanging.
16.3.2.2.4 Dwars verbindingsstangen (tekening 253-26 tot 253-28 en 253-30):
Dwars verbindingsstangen, aangebracht tussen de hoofdrolbeugel of tussen de achterafsteuningen,
mogen worden gebruikt voor montage van de veiligheidsgordels (het gebruik van demontabele
verbindingen is niet toegestaan).
Voor stangen zoals getoond in tekeningen 253-26 en 253-27 moet de hoek tussen de middenstang en
de verticaal minimaal 30 graden zijn.
16.3.2.2.5 Versteviging van bochten en verbindingen (tekeningen 253-31 tot 253-34):
Verstevigingen moeten worden gemaakt van buis of van gebogen metaalplaat met een U-vorm welke
voldoet aan Artikel 16.2.14. De dikte van de componenten die een versteviging vormen mag niet minder
zijn dan 1.0 mm.
De einden van de buisvormige verstevigingen mogen niet verder dan halverwege de verbindingsstang
liggen waaraan zij zijn bevestigd, behalve de verstevigingstangen voor de verbinding van de
voorrolbeugel, welke samen mogen komen bij de verbinding van de deurstangen en de voorrolbeugel.
16.3.2.2.6 Montage van de krikpunt:
De krikpunten mogen op de rolkooi gemonteerd zijn.
16.3.2.3 Minimum configuratie van de veiligheidskooi:
De minimum configuratie van een rolkooi is gedefinieerd:
Auto gehomologeerd Minimum configuratie
voor
01 JAN 2005 Tekening 283-1A
vanaf
01 JAN 2005 Tekening 283-1B
De diagonale stang mag variëren overeenkomstig met Artikel 16.3.2.1.1.
De dak versteviging mag variëren overeenkomstig met Artikel 16.3.2.1.4.
In geval van een auto met drie inzittenden moet de veiligheidskooi voldoen aan tekening 283-3 met een
tweede hoofdrolbeugel geplaatst dicht bij de achterkant van de achterste stoel.
16.3.2.4 Demontabele verbindingen:
Wanneer demontabele verbindingen worden gebruikt in de constructie van een veiligheidskooi, moeten
deze voldoen aan een van de typen toegestaan door de FIA (tekeningen 253-37 tot 253-47). De
demontabele verbindingen moeten gemonteerd zijn in het verlengde van de as van de buis en mogen
niet offset zijn. Deze mogen niet gelast worden na te zijn samengebouwd. De schroeven en bouten
moeten voldoen aan de ISO klasse 8.8 of beter. Demontabele verbindingen welke voldoen aan
tekeningen 253-37, 253-40, 253-43, 253-46 en 253-47 zijn uitsluitend voor de bevestiging van Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 18
facultatieve stangen en verstevigingen zoals beschreven in artikel 16.3.2.2, en verboden voor het
verbinden van de bovenste delen van de hoofdrolbeugel, van de voorrolbeugel en van de halve
zijrolbeugels.
16.3.2.5 Aanvullende beperkingen:
De veiligheidskooi moet volledig binnen de volgende limieten vallen:
– 200 mm voor de voorste wiel-as
– achterste wiel-as
Desalniettemin, de achterafsteuningen mogen achter dit vlak uitsteken teneinde bevestigd te kunnen
worden aan het chassis.
De achterafsteuningen op een monocoque chassis mogen achter de achterste schokbreker
montagepunten uitsteken op voorwaarde dat deze gemonteerd of gelast worden aan een holle
carrosserie deel van de monocoque chassis.
De achterzijde van de hoofdsteun afgespiegeld aan de reglementaire belasting bepaald de positie van
de buis van de hoofdrolbeugel welke hier niet mag uitsteken gezien in het verticale vlak.
De minimale afstand tussen de helmen van de inzittenden en de stangen/buizen van de rolkooi zal niet
minder zijn dan 50mm.
16.3.2.6 Bevestiging van rolkooien aan de carrosserie/chassis:
De rolkooi moet gemonteerd worden direct op de stalen carrosserie of het chassis, d.w.z. aan de
constructie waar de verende belastingen aan doorgegeven worden (met, indien nodig, additionele
verstevigingen bij het knooppunt tussen het chassis en de voet van de rolkooi).
Minimum bevestigingspunten zijn:
• 1 voor iedere stijl van de voorrolbeugel;
• 1 voor iedere stijl van de zijrolbeugel of halve zijrolbeugels;
• 1 voor iedere stijl van de hoofdrolbeugel;
• 1 voor iedere stijl van de achterafsteuning.
Om een efficiënte bevestiging aan de carrosserie te bewerkstelligen, is het toegestaan de originele
bekleding aan te passen door het insnijden of vervormen van het materiaal rond de rolkooi en de
bevestigingen.
Echter deze wijziging staat niet de verwijdering van complete delen van de bekleding toe.
Daar waar nodig, mag de zekeringkast worden verplaatst om een rolkooi te kunnen plaatsen.
Bevestigingspunten van de voor-, hoofd-, zijrolbeugels of halve zijrolbeugels:
Iedere bevestigingsplaat moet een verstevigingplaat bevatten met een dikte van tenminste 3 mm.
Iedere bevestigingsplaat moeten worden bevestigd met tenminste 3 bouten op een stalen
verstevigingplaat van tenminste 3 mm dikte, met een oppervlakte van minimaal 120 cm², welke aan de
carrosserie is vast gelast.
Voor auto’s gehomologeerd vanaf 01-jan-2007, moet het oppervlakte van 120 cm² het contactvlak zijn
tussen de verstevigingplaat en de carrosserie.
Voorbeelden hiervan worden getoond in tekeningen 253-50 tot 253-56.
Voor tekening 253-52 hoeft de voetplaat niet noodzakelijkerwijs aan de carrosserie vast gelast te
worden.
In geval van Tekening 253-54 mogen de zijkanten van het bevestigingspunt worden afgesloten met
een gelaste plaat.
De te gebruiken bouten moeten tenminste M8 diameter en minimaal ISO klasse 8.8 of beter zijn.
Moeren moeten zelfborgend zijn of voorzien van borgringen.
De hoek tussen 2 bouten (gemeten vanaf het hart van de buis op het niveau van de voetplaat volgens
Tekening 253-50) mag niet minder zijn dan 60 graden.
Bevestigingspunten van de achterafsteuningen:
Iedere achterafsteuning moet worden bevestigd met tenminste 2 M8- bouten, met verstevigingplaten
met een oppervlakte van tenminste 60 cm² (tekening 253-57) of vastgezet met een enkele bout belast
op dubbelafschuiving, op voorwaarde dat deze van voldoende afmeting en sterkte is (zie tekening 253-
58), en op voorwaarde dat in de achterafsteuning een bus gelast is. De montagepunten moeten
verstevigd zijn met platen.
Dit zijn minimum vereisten.
In aanvulling op deze eisen mogen meer bouten worden gebruikt of de stijlen van de rolbeugel mogen
direct op de verstevigingplaten worden gelast, of de veiligheidskooi (zoals gedefinieerd in artikel 283-
8.3.1) mag aan de carrosserie/chassis worden gelast.
Speciale situatie:Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 19
Diagonale delen welke bevestigd zijn aan de carrosserie (zie tekening 253-6) moeten verstevigde platen
hebben zoals hierboven gedefinieerd.
Voor carrosserieën (of chassis) die niet van staal zijn gemaakt, is elke vorm van lassen tussen de kooi en
de carrosserie verboden; alleen het verlijmen van de verstevigingplaat op de carrosserie/chassis is
toegestaan.
Voor voertuigen voorzien van een buizen- of semi-buizen spaceframe moet vast gelast zijn aan het
chassis of een integraal deel uitmaken van het chassis.
De montagepunten van de voor-, hoofd-, zijrolbeugels of halve zijrolbeugels moeten zich tenminste op
de hoogte van de cockpit vloer bevinden.
16.3.3 Materiaal specificaties
Alleen buizen met een ronde doorsnede zijn toegestaan. Specificaties voor de te gebruiken buis:
Zie tabel 283-8.3.3 hieronder.
NOOT: Deze figuren geven de minimale eisen weer.
Bij het kiezen van de staalkwaliteit moet gelet worden op goede trekeigenschappen en voldoende
lasbaarheid.
Het buigen van de buizen moet koud gebeuren en de radius van de hartlijn van de bocht moet tenminste
3 maal de buisdiameter bedragen.
Wanneer de buis tijdens het buigen ovaal wordt, moet de verhouding van de kleinste diameter tot de
grootste diameter 0,9 of groter zijn.
De oppervlakte ter hoogte van de bochten moet glad en vlak zijn, zonder scheuren of plooien.
16.3.4 Aanwijzingen voor het lassen:
Deze moeten worden uitgevoerd over de gehele omtrek van de buis.
Alle lassen moeten van een zo goed mogelijke kwaliteit zijn, volledig doorgelast en bij voorkeur door
gebruik van gasbeschermd booglassen.
Ofschoon een goed uitziende las niet direct een garantie is voor de kwaliteit, zijn slecht uitziende lassen
nooit een teken van goed vakmanschap. Indien warmtebehandeld staal wordt gebruikt moeten de
speciale instructies van de fabrikanten gevolgd worden (speciale elektroden, gasbeschermd lassen).
16.3.5 Beschermende bekleding:
Daar waar de lichamen van de inzittenden in aanraking kunnen komen met de veiligheidskooi, moet
deze ter bescherming worden voorzien van een onbrandbare bekleding.
Waar de helmen van de inzittenden in aanraking kunnen komen met de veiligheidskooi dient deze
bekleding te voldoen aan: FIA standaard 8857- 2001, type A (zie Technische- Tekeningen 253-4 lijst 23
“Rolkooi bekleding gehomologeerd door de FIA”).
Materiaal Minimale
Treksterkte
Minimum Afmetingen
(mm) Gebruik
Koudgetrokken
naadloos ongelegeerd
(zie hieronder)
koolstof staal met een
maximum van 0.3%
koolstof
350 N/mm2
45 x 2.5
(1.75” x 0.095”)
of
50 x 2.0
(2.0” x 0.083”)
Hoofdrolbeugel
(Tekeningen 253-1 en
253-3) of zijrolbeugels en
de achterste
dwarsverbindingsstang
(Tekening 253-2)
38 x 2.5
(1.5” x 0.095”)
of
40 x 2.0
(1.6” x 0.083”)
Halve zijrolbeugels en
andere delen van de
veiligheidskooi (tenzij
hierboven anders
aangegeven)Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 20
Tabel 283-8.3.3Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 21Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 22Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 23
Art. 17 ACHTERUITZICHT
Het is toegestaan de achterruit te blinderen en door een metalen of kunststof plaat te vervangen. Het
achteruitzicht moet op efficiënte wijze worden verkregen door twee achteruitkijkspiegels (een aan elke zijde
van de auto).
Art. 18 SLEEPOOG
Alle auto’s moeten zijn uitgerust met een stevig bevestigt sleepoog aan de voor- en achterzijde van de auto. Dit
sleepoog dient direct aan het chassis van de auto te worden aangebracht en moet over een minimum
binnendiameter te beschikken van 50 mm. en in rood, geel of oranje geverfd zijn.
Art. 19 VOORRUIT, RUITEN
Een voorruit van gelaagd glas is verplicht voorzien van een markering die dit bewijst.
Alle overige ruiten mogen van elk type gehomologeerd veiligheidsglas zijn.
Een zonnestrip in de voorruit is toegestaan (zie appendix L) op voorwaarde dat de inzittenden verkeersborden
en verkeerslichten kunnen zien.
Indien er een breuk in de voorruit zit is het dragen van een valhelm met vizier (of zgn. motorbril) verplicht,
anders zal het voertuig geen toestemming krijgen om te starten.
In geval er na een incident het plaatwerk zodanig vervormd is dat er geen vervangende voorruit in geplaatst
kan worden van gelamineerd glas mag deze vervangen worden door een voorruit vervaardigd van
policarbonaat met een minimum dikte van 5 mm.
Indien de voorruit gelijmd is moet het mogelijk zijn om van binnenuit, de ramen van de voorste deuren te
breken of te verwijderen zonder gebruik te maken van gereedschap.
De achter- en zijruiten, indien transparant, moeten gemaakt zijn van een gehomologeerd materiaal of van
policarbonaat met een minimum dikte van 3 mm.
Voor achter- en zijruiten gemaakt van glas is het aanbrengen van een transparante en kleurloze folie verplicht.
Deze folie moet aan de binnenzijde van de ruit aangebracht zijn en de dikte mag niet meer zijn dan 100 micron.
De aanwezigheid van deze folie moet te controleren zijn bij de technische keuring.
Het gebruik van getinte ramen is toegestaan voor achter- en zijruiten op voorwaarde dat het mogelijk moet zijn
voor een persoon om de inzittenden en de inhoud van de cockpit te kunnen zien op een afstand van 5 meter. Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 24
Veiligheidsnetten:
Alle voertuigen waarvan de voorste deuren niet voorzien zijn van ramen moeten zijn uitgerust met een
veiligheidsnet welke aan de deur bevestigd moet zijn waarvan de onderzijde met een “quick-release” systeem.
Het gebruik van “clip” bevestigingen wordt aangeraden. De bevestigingen van het net aan de bovenzijde
moeten zodanig zijn dat deze alleen met gebruik van gereedschap te verwijderen zijn. Het net moet aan de
volgende kenmerken voldoen:
Minimum breedte van de banden: 19 mm
Minimum afmeting van de mazen: 25 x 25 mm.
Maximum afmeting van de mazen: 60 x 60 mm.
Gezien vanaf de zijkant van het voertuig moet het net vanaf het hart van het stuurwiel tot aan het achterste
punt van de stoel reiken.
Art. 20 HOOFDSTROOMSCHAKELAAR (Algemene stroomonderbreker)
Het anti-diefstal systeem van het orginele hoofd startmechnisme (“Neiman”) moet verwijderd zijn. De
hoofdstroomschakelaar moet alle stroom-/spanningscircuits onderbreken (accu, dynamo, lichten, claxons,
elektrische controle instrumenten etc.). Tevens moet de hoofdstroomschakelaar de motor uitschakelen.
Voor dieselmotoren die geen elektronisch geregelde injectoren hebben moet de hoofdstroomschakelaar
gekoppeld zijn met een inrichting die de toevoer naar de motor afschakelt.
Het moet een vonkvrij model zijn, bereikbaar van binnen in het voertuig voor de rijder en bijrijder, zittend in
hun stoel met de gordels gespannen.
Aan de buitenzijde moet op of nabij de linker of rechter onderste voorruitstijl ook een bediening van de
hoofdstroomschakelaar aanwezig zijn. De plaats moet duidelijk zichtbaar zijn aangegeven door een rode
schicht (spark) binnen een blauwe driehoek met witte rand waarvan de basis tenminste 12 cm is. De
hoofdstroomschakelaar moet te allen tijden goed bereikbaar zijn, ook als het voertuig op zijn kant of op zijn
dak ligt.
Art. 21 FIA GOEDGEKEURDE VEILIGHEIDSBRANDSTOF-TANK
Indien een deelnemer gebruik maakt van een veiligheidsbrandstoftank, moet deze afkomstig zijn van een door
de FIA erkende fabrikant.
Derhalve dient elke tank die wordt afgeleverd te zijn gemerkt met: de naam van de fabrikant, de exacte
specificaties volgens welke de tank is gemaakt, het homologatienummer de einddatum van geldigheid en het
serienummer. Het merkproces moet onuitwisbaar zijn en moet vooraf zijn goedgekeurd door de FIA
overeenkomstig de geldende norm.
21.1 Veroudering van de tanks
Veroudering van de veiligheidstanks houdt in dat na ongeveer 5 jaar een aanmerkelijke
sterktevermindering optreedt. Een tank mag niet langer worden gebruikt dan 5 jaar na de
productiedatum, tenzij de tank is geïnspecteerd en opnieuw gecertificeerd door de fabrikant voor een
periode van maximaal twee daaropvolgende jaren.
21.2 Installatie van tanks
De tank mag vervangen worden door een veiligheidstank gehomologeerd door de FIA (FT3 1999, FT 3.5
of FT 5 specificatie) of door een andere tank gehomologeerd door de fabrikant van de auto. In dit geval
mag er een paneel geplaatst worden om de opening van de originele (verwijderde) tank af te sluiten.
Het aantal tanks is vrij. Het is tevens mogelijk om verschillende gehomologeerde tanks te
combineren(inclusief de standaard tank) met FT3 1999, FT 3.5 en FT 5. Iedere tank die niet
gehomologeerd is met het voertuig door de fabrikant die erkend is door de FIA moet een FT3 1999, FT
3.5 en FT 5 tank zijn. Opvang tanks met een capaciteit van minder dan 1 liter zijn vrij edoch het aantal
is beperkt tot het totaal aantal hoofdtanks die in het voertuig zijn geïnstalleerd. De originele tank mag
bewaard blijven op de originele positie. Er mag een FT3 1999, FT 3.5 en FT 5 tank met grotere inhoud
op de plaats van de originele tank worden geplaatst. Waarin de fabrikant heeft voorzien in een
gesloten bagageruimte (voor- of achterbagageruimte), die een geheel vormt met de carrosserie, moet
de extra tank daarin gemonteerd worden. Er moeten gaten in de vloer van de kofferbak worden
gemaakt om bij lekkage de uitstromende brandstof te kunnen afvoeren. Bij voertuigen waarin geen
aparte bagageruimte is aangebracht die een geheel vormt met de carrosserie mag de extra tank in het
zgn. inzittendencompartiment achter de achterste stoel worden geplaatst. In alle gevallen moet de
tank inclusief vulpijpen totaal geïsoleerd zijn door lekdichte en vlambestendige schotten, die het
doordringen van brandstof in het compartiment of contact met de uitlaatpijpen moeten voorkomen. Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 25
De tank moet doelmatig beschermd zijn en stevig bevestigd aan de carrosserie of aan het chassis van de
auto. Het gebruik van veiligheidsschuim in FT3 1999, FT 3.5 en FT 5 tanks wordt aanbevolen. De
locatie en afmetingen van de vulopening mag aangepast worden op voorwaarde dat de nieuwe
installatie niet uitsteekt voorbij de carrosserie en garandeert dat een mogelijke lekkage geen brandstof
terug in de binnenste compartimenten van het voertuig kan stromen. Deze vulopeningen mogen
gesitueerd zijn in de achterste- of zijruiten. De vulopening en ontluchting moeten zich altijd aan de
buitenzijde van de carrosserie bevinden op een metalen deel. Indien er een vulopening is aan de
binnenzijde moet deze omgeven zijn met een opvangmogelijkheid met een uitstroommogelijkheid
naar de buitenzijde van het voertuig. De ontluchting moet uit het dak van het voertuig komen of via
een zo hoog mogelijke loop aan de binnenzijde van het voertuig om vervolgens aan de onderzijde uit
te komen aan te tegenovergestelde zijde van de aansluiting aan de tank. De ontluchtingsopeningen
moeten zijn uitgerust met zelf dichtende kleppen. Voor pick-up voertuigen waarbij de cockpit volledig
is afgeschermd van de laadbak moet de tank van het type FT3 1999, FT 3.5 en FT 5 zijn en de laadbak
dient zodanig aangepast te worden teneinde brandstof weg te kunnen laten stromen in geval van
lekkage.
21.3 Brandstoftanks met vulslangen
Alle voertuigen met een brandstoftank met een vulslang die door de cabine gerouteerd is moeten
uitgerust zijn met een”non-return” klep gehomologeerd door de FIA. Deze klep, van het type “met één
of twee kleppen” moet geïnstalleerd zijn in de vulslang aan de tank zijde. De vulslang is gedefinieerd
als de slang tussen de vulopening en de tank in het voertuig.
Art. 22 BESCHERMING TEGEN BRAND
Een voldoende brandwerend scherm moet tussen de motor en alle mechanisme delen zijn geplaatst teneinde
bij brand de inzittende niet direct in contact kan komen met de vlammen.
Art. 23 VERLICHTING
Alle punten moeten overeenkomen met de Internationale Conventie voor het wegverkeer. Elke auto moet
tenminste zijn uitgevoerd met:
a. 2 koplampen (gecombineerde dimlichten/ koplampen)
b. 2 stadslichten
c. 2 achterlichten en nummerplaatverlichting
d. 2 stoplichten (remlichten)
e. 2 knipperlichten voor en achter
f. alarmlichten
Twee additionele koplampen mogen gemonteerd worden op voorwaarde dat deze niet meer dan 250 mm
boven de onderkant van de voorruit.
Iedere “stop” licht moet een minimum oppervlakte hebben van 50 cm2. De twee koplampen en de extra
koplampen moeten zich bevinden voor de as van de voorwielen, op een maximum hoogte, die overeenkomt
met de lijn van de motorkap/onderkant voorruit (maximaal 8 lampen).
Alle naar voren gerichte lampen met een oppervlakte van meer dan 32 cm2 moeten op een adequate wijze
worden bevestigd en beschermd in geval van brekend glas d.m.v. een grill of additioneel doorschijnend paneel.
Ieder voertuig moet tevens uitgerust zijn met twee additionele rode achterlampen, zij aan zij geplaatst met
twee additionele “stop” lichten. Deze lampen moeten overeenkomen met de eisen zoals gesteld in de
wegenverkeerswet of goedgekeurd zijn door de FIA (technische lijst no. 19). De minimale hoogte voor deze
lampen is 1,25 meter gemeten vanaf de grond, duidelijk zichtbaar vanaf de achterzijde en gemonteerd op de
buitenzijde van het voertuig.
Zij moeten bevestigd worden aan de linker- en rechterkant ven het voertuig, of voor pick-up’s aan de
bovenhoeken van de achterzijde van de cabine. Deze lichten moeten constant branden tijdens het rijden van
een bepaald traject als de proevenchef dit vraagt. Het hele verlichtingssysteem moet tijdens het hele
evenement perfect werken. Indien geconstateerd is dat het elektrische systeem niet goed functioneert, mag de
bemanning van de auto niet starten voor dit gerepareerd is.
Art. 24 CLAXON
Ieder voertuig moet, tijdens de totale duur van het evenement, zijn uitgerust met een goed hoorbaar
waarschuwingssysteem. Versie 1.1
Goedgekeurd door KNAF/BST onder Permit: 0800.14.241 26
Art. 25 RESERVEWIELEN
De uitrusting van ieder voertuig moet minstens één reservewiel bevatten, dat gelijk is aan die waarmee de auto
is uitgerust, deze moet gedurende het hele evenement deugdelijk bevestigd zijn.
Art. 26 SPATLAPPEN
Het gebruik van spatlappen is verplicht en moeten dwars op de rijrichting achter elk wiel geplaatst worden. De
spatlappen moeten voldoen aan onderstaande voorwaarden:
– Spatlappen moeten gemaakt zijn van flexibel materiaal, (rubber canvas of kunststof) met een minimum dikte
van 5 mm.
– Ze moeten tenminste de breedte van het wiel afdekken.
– De onderkant van deze spatlappen moeten niet meer dan 10 cm zijn van de grond waarop de auto stil staat,
zonder personen aan boord.
– In het verticale vlak mogen de spatlappen niet uitsteken voorbij de carrosserie van de auto.
Art. 27 STOELEN
Indien de originele stoel bevestigingspunten gewijzigd zijn, moeten deze wijzigingen en/of onderdelen gemaakt
zijn door een FIA goedgekeurde fabrikant of voldoen aan de onderstaande specificaties, zie tekening 253-65.
In alle gevallen moet het originele stoel-verstel rail (geleiders) verwijderd zijn of permanent geblokkeerd zijn.
Tekening 253-65
1. De stoelsteunen moeten bevestigd worden aan het chassis/carrosserie met tenminste 4 montage punten per
stoel met bouten van 8 mm met onderplaten zoals aangegeven in tekening 253-65. Het minimum
contactoppervlak tussen steun en carrosserie/chassis en onderplaat is 40 cm2 voor elk bevestigingspunt.
Indien een snelbevestigingssysteem wordt gebruikt moeten die in staat zijn horizontale en verticale krachten
van 18.000 N te weerstaan, niet gelijktijdig uitgeoefend.
2. De stoel moet worden bevestigd aan de steunen met 4 bevestigingspunten, 2 aan de voorzijnde van de stoel
en 2 aan de achterzijde van de stoel, met bouten van tenminste 8 mm en de in de stoel geïntegreerde
verstevingingspunten. Elk bevestigingspunt moet een kracht van 15.000 N kunnen weerstaan uitgeoefend in
welke richting dan ook.
3. De minimum dikte voor de steunen en de onderplaten is 3 mm voor staal en 5 mm voor materialen van
lichtmetaal. De minimum lengte van iedere steun is 6 cm.
4. In geval van het gebruik van een kussen tussen de gehomologeerde stoel en de rijder/bijrijder mag dit
kussen niet dikker zijn dan 50 mm. Alle stoelen van de inzittende moeten zijn gehomologeerd door de FIA
8855/1999 of 8862/2009 norm en mogen niet worden gemodificeerd.
● Stoelen die voldoen aan FIA standaard 8855/1999: De maximale gebruiksduur is 10 jaar na de
productiedatum zoals aangegeven op het verplichte label.
Een verlenging met 2 jaar kan door de fabrikant worden afgegeven en moet worden aangegeven door een
extra label.
● Stoelen die voldoen aan FIA standaard 8862/2009: De maximale gebruiksduur is 10 jaar na de
productiedatum zoals aangegeven op het verplichte label. Het gebruik van gehomologeerde supports in
combinatie met de stoel is verplicht.
Art. 28 SAFETYAIRBAGS
Ieder ontsteking mechanisme van het airbag systeem moet verwijderd zijn.
Art. 29 SPECIFIEKE REGELGEVING VOOR ELEKTRISCH AANGEDREVEN VOERTUIGEN
Voor specifieke regelgeving voor elektrisch aangedreven voortuigen zie FIA Art. 283-22.